donderdag 23 februari 2012 Registreren Inloggen
Zoeken:    Go
 
 
zondag 11 maart 2012 4e regionale ranking toernooi@De Munt>>8-Ball    zondag 1 april 2012 5e regionale ranking toernooi@Delfshaven>>14.1l    zondag 6 mei 2012 6e regionale ranking toernooi@Capelle>>9-Ball    zondag 17 juni 2012 6e regionale ranking toernooi@Spijkenisse>>8-Ball    zondag 1 juli 2012 Regionale ranking masters@Delfshaven   

 

 

 

 

De navolgende algemene regels gelden voor alle spelvariaties, tenzij ze expliciet tegengesproken worden door de specifieke spelregels van de gespeelde spelwijze

 

 3.1 DE SPEELTAFEL, BALLEN EN UITRUSTING.
Alle navolgende regels zijn opgesteld voor het spelen op tafels en met ballen en uitrusting die voldoen aan de normen opgelegd door de World Pool-Billiard Association.

3.2. DE BALLEN OPLEGGEN.
Bij het opzetten van de ballen moet altijd een driehoek gebruikt worden. De bal in de bovenhoek wordt op het voetpunt gespot; alle andere ballen komen daar achter. De ballen dienen zodanig opgezet worden dat alle ballen elkaar raken. Indien dit niet lukt heeft de openende speler het recht om zelf het rack op te zetten of te accepteren. Wanneer de wedstrijd gearbitreerd wordt door een scheidsrechter die opzet heeft de openende speler geen recht van inspraak over het opgezette rack.  

3.3. HET SPELEN VAN DE SPEELBAL.
De speelbal mag enkel met de tip van de keu (de 'pomerans') gespeeld worden, indien dit niet gebeurt maakt men een foul.  

3.4. CALL SHOT
Voor spelvormen waarbij call shot van toepassing is, moet de speler de te potten genummerde bal en bijbehorende pocket nomineren alvorens hij stoot. Deze bal hoeft niet als eerste te worden geraakt, ook hoeft niet te worden aangegeven hoe er gespeeld gaat worden(via carambol, combinatie, band, etc.). Alle extra gepotte ballen tijdens een geldige stoot worden in het voordeel van de speler meegeteld.

 3.5.  GEEN BALLEN POTTEN.
Een speler, die er niet in slaagt een bal te potten tijdens een geldige stoot, verliest zijn beurt. De tegenspeler komt dan aan tafel.

3.6. BEPALEN VAN DE BEGINNENDE SPELER.
Om te bepalen welke speler mag beginnen gaat men te werk als volgt. Beide spelers krijgen een gelijkwaardige bal voor wat betreft gewicht en grootte in de hand achter de hoofdlijn. Ze spelen hun bal 'gelijktijdig' (voor de bal van de tegenstander de band aan de voet van de tafel raakt). Indien één van beide spelers te laat stoot wordt de lag opnieuw gespeeld. De speler wiens bal het dichtst bij de hoofdband stil komt te liggen, mag kiezen wie er als eerste breakt. Men verliest automatisch deze lag indien:
•  zijn bal op de tafelhelft van de tegenspeler terechtkomt,
•  als zijn bal de voetband niet raakt,
•  als zijn bal de voetband meer dan eens raakt,
•  als zijn bal gepot wordt,
•  als men een lange band raakt,
•  als men zijn bal uit tafel speelt,
•  als zijn bal stil komt te liggen 'tussen de kaken' van de hoekpocket met zijn middelpunt voorbij de rand van de hoofdband. In het geval dat beide spelers één van deze fouten maakt of wanneer niet kan bepaald welke bal het dichtst bij de hoofdband ligt wordt de lag opnieuw gespeeld.
 
3.7. OPENENDE BREAK.
De openende break wordt bepaald door lag of toss(De lag procedure is noodzakelijk voor toernooien en andere formele wedstrijden). De speler die de lag of toss wint mag kiezen wie de openende break speelt.
   
3.8  SPEELBAL BIJ BREAK.
De break wordt gespeeld met de speelbal in de hand achter de hoofdlijn. De genummerde ballen worden opgelegd overeenkomstig de specifieke spelregels van de gespeelde spelvorm. Het spel wordt begonnen beschouwd zodra de speelbal met de pomerans over de hoofdlijn gespeeld is.  

3.9. AF LATEN WIJKEN VAN DE SPEELBAL TIJDENS DE BREAK.
Het tegenhouden of laten afwijken van de speelbal nadat die de hoofdlijn gekruist heeft of voordat hij de opgelegde genummerde ballen heeft geraakt, is een foul en betekent beurtverlies. De tegenspeler krijgt de speelbal in de hand achter de hoofdlijn of mag de speelbal teruggeven aan de speler in overtreding (uitzondering bij 9-ball, zie regel 5.3).

De foulende speler zal gewaarschuwd worden dat een tweede gelijkwaardige overtreding gedurende de wedstrijd verlies forfaitcijfers zal betekenen (zie regel 3.29.)

3.10. SPEELBAL IN DE HAND ACHTER DE HOOFDLIJN.
Bij sommige specifieke situaties bij 8-ball en 14.1 krijgt een speler de speelbal in de hand achter de hoofdlijn. Hij mag de speelbal dan naar eigen keuze overal in het hoofdveld (achter en niet op de hoofdlijn) leggen. De speler mag dan op eender welke bal spelen die met zijn middelpunt buiten het hoofdveld (voorbij of op de hoofdlijn) ligt. Wil men toch op een bal in het hoofdveld spelen dan moet de speelbal eerst minstens één band buiten het hoofdveld geraakt hebben alvorens hij de bewuste bal in het hoofdveld raakt. Bij speelbal in de hand achter de hoofdlijn is het dus niet toegestaan om rechtstreeks op een bal in het hoofdveld te spelen.Als de speler de speelbal onopzettelijk op of voorbij de hoofdlijn legt, dan zal de scheidsrechter of de tegenstander hem daar attent op maken voor er afgestoten wordt. Gebeurt dat niet of komt de mededeling te laat, dan wordt de stoot als geldig beschouwd.
Indien een speler te horen krijgt dat de positie van de speelbal niet correct is, dan moet hij ze corrigeren. Als een speler de bal duidelijk volledig buiten het hoofdveld plaatst en afstoot, kan de scheidsrechter of de tegenspeler dit als een foul bestempen. De speelbal blijft 'in de hand'(en dus niet in het spel) tot hij met de pomerans over de hoofdlijn gespeeld is. Zolang hij 'in de hand' is, mag de speelbal met de hand, de keu,... verplaatst worden. Van zodra er afgestoten is, mag de speelbal op geen enkele manier nog aangeraakt worden. Indien dit toch gebeurt, begaat men een foul.(zie regel 3.39 en 3.40)

3.11. GEPOTTE BALLEN.
Een bal wordt als ge pot beschouwt als hij na een geldige stoot in een pocket terechtkomt en daarin blijft liggen. (Een bal die uit een ballenmechanisme op de grond valt is een bal die gepot is). Een bal die uit een pocket terug op tafel springt, is niet gepot (opgelet als dat met de speelbal gebeurt, zie regel 3.20).

3.12. POSITIE VAN DE BALLEN.
De positie van een bal wordt bepaald door waar zijn middelpunt zich bevindt.

3.13. VOET OP DE GROND.
Het is een foul als een speler afstoot terwijl hij niet minstens één voet de grond raakt.
Schoeisel moet 'normaal' zijn qua vorm, grootte en draagwijze.

3.14. STOTEN TERWJL ER NOG BALLEN BEWEGEN.
Het is een foul als een speler reeds stoot alvorens alle ballen tot stilstand zijn gekomen; een tollende bal is in beweging.

3.15. EINDE VAN EEN STOOT.
Een stoot is niet beëindigd (en telt dus nog niet) totdat alle ballen op de tafel tot stilstand zijn gekomen.

3.16. DEFINITIE VAN HET HOOFDVELD (kitchen).
Het hoofdveld bevat de hoofdlijn niet. Een genummerde bal die met zijn middelpunt op de hoofdlijn ligt, ligt dus niet in het hoofdveld en mag dus aangespeeld worden als er van achter de hoofdlijn (speelbal in de hand achter de hoofdlijn) gespeeld moet worden. De speelbal moet zo ook achter en niet op de hoofdlijn gelegd worden als deze in hand is achter de hoofdlijn.  

3.17. ALGEMENE REGEL VOOR ALLE FOULS.
Alhoewel de sancties voor fouls van spel tot spel en van situatie tot situatie kunnen verschillen, is het volgende steeds geldig:
•  de beurt is over
•  indien de foul tijdens een stoot gemaakt werd, is die stoot ongeldig en worden eventueel gepotte ballen niet toegekend aan de spelersscore
•  tijdens een foul gepotte ballen worden enkel gerespot als de specifieke spelregels dit voorschrijven.

3.18. HET NIET RAKEN VAN EEN GELDIGE GENUMMERDE BAL, WEGSPELEN VAN RAKENDE BALLEN.
Het is een foul wanneer tijdens een stoot de speelbal niet eerst contact maakt met een geldige genummerde bal. Van een rakende bal afspelen telt niet als het hebben geraakt van die bal.  

3.19. DEFINITIE VAN DE GELDIGE (OF 'LEGALE') STOOT.
Tenzij door de specifieke spelregels tegengesproken, moet een speler om een geldige stoot uit te voeren eerst een geldige genummerde bal raken, en daarna;
•  een genummerde bal potten of
•  de speelbal of eender welke genummerde bal een band laten raken.
Gebeurt dit niet, dan maakt men een foul.

3.20. DE SPEELBAL POTTEN.
Het is een foul als bij een stoot de speelbal gepot wordt. Als de speelbal vanuit een pocket terug op tafel springt zonder in die pocket aanwezige genummerde ballen geraakt te hebben, dan is hij niet gepot. Raakt hij wel een genummerde bal die reeds gepot was (bijvoorbeeld in een volle pocket), dan is hij wel gepot en is het dus een foul, ook al komt de speelbal terug op tafel terecht.  

3.21. FOULS DOOR AANRAKEN VAN DE BALLEN.

Het enige contact dat met een op de tafel liggende bal toegestaan is, is dat van de pomerans met de speelbal tijdens de uitvoering van een geldige stoot of dat met de hand, keu,... met de speelbal wanneer en zolang die 'in de hand' is. Elk ander contact met op tafel liggende ballen (met lichaam, kledij, krijt, brug, keu,...) is een foul. Als de wedstrijd geleid wordt door een scheidsrechter, dan moet die iedere genummerde bal die zo verplaatst werd zo goed mogelijk op zijn oorspronkelijke plaats terugleggen; de aan tafel komende speler heeft hier geen enkele inspraak over.

3.22. FOULS BIJ HET PLAATSEN VAN DE BAL IN DE HAND.
Wanneer men bij het neerleggen van de speelbal 'in de hand' één of meer op tafel liggende genummerde ballen aanraakt, dan maakt men een foul.

3.23. FOULS BIJ DUBBEL CONTACT.
Als de speelbal vastligt tegen (en dus niet dicht op) een geldig aanspeelbare bal, dan mag men in die richting spelen zolang er op een normale wijze gestoten wordt. Als de keu de speelbal meerdere malen raakt of als de keu de speelbal raakt nadat deze de genummerde bal raakt is dit een foul. Indien er een andere bal dichtbij ligt, moet men oppassen geen foul op die bal te maken na het wegspelen van de speelbal van de vastliggende genummerde bal.

3.24. FOULS BIJ DUWSTOTEN.
Het is een foul wanneer de speelbal door de pomerans geduwd wordt,wat inhoud dat de speelbal al een rollende beweging heeft ingezet tijdens contact met de pomerans.

3.25. VERANTWOORDELIJKHEDEN VAN DE SPELERS.
Een speler is zelf verantwoordelijk voor het krijt, bruggen en andere stukken van zijn uitrusting die hij gebruikt of tot dichtbij de tafel brengt. Als hij bijvoorbeeld een stuk krijt laat vallen of van een brug afschiet en er wordt contact gemaakt met één of meerdere op de tafel liggende ballen, dan begaat hij een foul.  

3.26. BALLEN SCHEPPEN.
Het is een foul indien een speler de speelbal onder het centrum raakt ('scheppen') en hem opzettelijk van het laken omhoog laat komen in een poging om over een in de weg liggende bal te springen. Zulke ‘jump-shots' kunnen per ongeluk voorkomen, en worden dan niet als foul bestempeld indien alleen de pomerans in aanraking is geweest met de speelbal. Indien bijv. de ferrule of shaft van de keu de speelbal gedurende de stoot de speelbal heeft geraakt is er wel sprake van een foul. (wanneer een bankshot gespeeld wordt en de bal springt op bij contact met de band wordt er geen foul begaan, indien de stoot geldig is.)

3.27. JUMP SHOTS.
Tenzij door specifieke regels anders is vermeld is het toegestaan de speelbal van het laken omhoog te laten komen door hem met omhoog geheven keu aan te spelen. Iedere schampstoot bij een dergelijke stoot is per definitie een foul. De minimum lengte van een keu moet minimaal 101,3 cm lang zijn, wanneer een speler bij een jump shot een kortere keu gebruikt begaat hij een foul.

3.28. BALLEN DIE VAN DE TAFEL AFSPRINGEN.
Ballen die tot stilstand komen op een andere plaats dan het laken zijn van de tafel afgesprongen ballen. Als er ballen van de tafel afspringen maakt een foul. Ballen die op de banden, de tafelkader of de pockets botsen en daarna uit eigen beweging terug op het speelveld terechtkomen, worden niet beschouwd als van de tafel afgesprongen.

Als ze echter inmiddels iets raken dat geen vast onderdeel van de tafel is (zoals de verlichting, krijt op de banden,...) zullen ze wel als van de tafel afgesprongen worden beschouwd, zelfs als ze nadien terug op de tafel beland zijn. Alle van de tafel gesprongen ballen worden gerespot (behalve bij 8- en 9-ball) zodra alle ballen tot stilstand zijn gekomen. Zie de specifieke regels voor het in spel brengen van de van tafel gespeelde speelbal.
 
3.29. OPZETTELIJKE FOUTEN.
Overeenkomstig regel 3.21 en tenzij bij een 'bal in de hand' - situatie is het een foul indien de speelbal met iets anders dan de pomerans aangeraakt wordt. Maakt men toch zulk contact en wordt het door de scheidsrechter als opzettelijk beoordeeld, dan zal die de speler waarschuwen dat een tweede dergelijke foul zal leiden tot het verlies van de wedstrijd met forfaitcijfers. Indien er geen scheidsrechter aan de tafel staat ligt de beslissing bij de wedstrijdleiding.

3.30. AANTAL FOULS PER BEURT.
Tenzij anders vermeld in de spelregels, zal er slechts één foul worden aangerekend per spelbeurt. Als meerdere sancties mogelijk zijn, zal enkel de zwaarste mogelijke van toepassing zijnde sanctie die op dat moment toegepast kan worden opgelegd worden. Altijd kan de tuchtcommisie op een later tijdstip zwaardere sancties opleggen(bijv. schorsingen).

3.31. UIT ZICHZELF BEWEGENDE BALLEN.
Als een bal 'zich legt' of op eender welke wijze uit zichzelf beweegt, blijft hij in deze nieuwe positie liggen en wordt er vanuit deze nieuwe situatie verder gespeeld. Een bal die, na gedurende meer dan vijf seconden bewegingloos te zijn geweest, in een pocket valt, wordt terug zo goed mogelijk op zijn vorige positie gelegd, waarna het spel normaal doorgaat.
Indien na de afstoot de bal waarop men mikt uit eigen beweging in een pocket valt zodat de speelbal over de oorspronkelijke plaats van die bal rolt, worden alle verplaatste ballen teruggelegd en speelt men de stoot opnieuw.(zie ook regel 3.35)

3.32. BALLEN 'SPOTTEN'.
Genummerde ballen die volgens één of andere spelregel terug op tafel moeten komen, worden na de stoot op de lange lijn gelegd. Eén enkele bal plaatst men op het voetpunt; moeten er meerdere ballen gerespot worden, dan gebeurt dat in numerieke volgorde, oplopend in de richting van de voetband.

Indien er ballen in de weg liggen, dan worden de te spotten ballen daar vast tegen gelegd zonder ze te bewegen. Is het de speelbal die in de weg ligt, dan worden de te spotten ballen er zo dicht mogelijk tegen gelegd zonder hem echter te raken.Indien er onvoldoende plaats is op de lange lijn in de richting van de voetband, dan worden de overblijvende terug te leggen ballen aan de andere kant van het voetpunt gelegd, in het verlengde van de lange lijn, numeriek oplopend in de richting van het centrum van de tafel en met inachtneming van dezelfde voorzorgen in het geval van in de weg liggende ballen.  

3.33. GEBLOKKEERDE BALLEN.
Als twee of meer ballen tussen de 'kaken' van een pocket geblokkeerd zijn en minstens één ervan 'in de lucht hangt', zal de scheidsrechter visueel of fysisch de ballen verticaal naar beneden projecteren en nagaan of een bal zo al dan niet in de pocket terecht zou komen. Ballen die naar zijn mening zo in de pocket terecht zouden komen, worden ook daadwerkelijk gepot; de andere ballen worden op de speeltafel gelegd. Het spel gaat daarna verder alsof er geen geblokkeerde ballen geweest zijn.

3.34. MEERDERE GEPOTTE BALLEN.
Alle ballen die tijdens een geldige stoot gepot worden, worden op de gewone wijze goedgekeurd en meegeteld voor de score.  

3.35. TUSSENKOMSTEN VAN NIET-SPELERS.
Ballen die bewogen zijn door niet-spelers, doordat een speler geduwd wordt, ten tengevolge van onvoorziene omstandigheden (zoals aardbevingen, naar beneden vallende verlichting,...) worden zo nauwkeurig mogelijk teruggelegd op hun laatste positie voor het incident; aan de speler aan stoot wordt geen foul toegekend. Als het niet mogelijk is alle ballen in hun oorspronkelijke positie te herplaatsen, wordt het spel overgespeeld met dezelfde beginnende speler. Dat laatste geldt niet voor 14.1 Continuous waar het verstoorde rack volledig opnieuw opgelegd wordt en waar volgens regel 3.5. opnieuw nagegaan wordt wie moet openen; de puntentelling van voor de onderbreking wordt verder gezet.

3.36. OPENEN VAN OPEENVOLGENDE SPELLEN.
In een wedstrijd bestaande uit korte racks (zoals 8- en 9-ball) opent de winnaar van een spel het volgende. Ook de volgende mogelijkheden kunnen door tornooiofficials op voorhand worden aangewezen:
(1) beurtelings openen,
(2) openen door de verliezer en
(3) openen door de in games achterstaande speler.

3.37. OM BEURT SPELEN.
In de loop van een wedstrijd komen de spelers afwisselend aan tafel en eindigt een beurt als een speler geen bal geldig pot of hij een foul maakt. Als een beurt niet op een foul eindigt, aanvaardt de inkomende speler de positie op de tafel.

3.38. EEN GENUMMERDE BAL LIGT VAST TEGEN DE SPEELBAL OF TEGEN DE BAND.
Indien de eerste genummerde bal vastligt tegen een band, moet er oftewel (1) een bal gepot worden (2) moet de speelbal een band raken, (3) moet de vastliggende genummerde bal een andere band raken dan degene waartegen hij vastlag of (4)dient een andere bal een band te raken waar hij nog niet tegen vastlag.   Een bal ligt pas vast indien dat door de scheidsrechter expliciet aangegeven wordt. Wat ballen vastliggend tegen de speelbal betreft zie regel 3.18. 14.1. Continuous en andere speelwijzen specificeren nog bijkomende vereisten voor dergelijke ballen.   

3.39. SPELEN VAN ACHTER DE HOOFDLIJN.
Als een speler de speelbal in de hand heeft, mag hij deze overal achter de hoofdlijn leggen en moet hij deze eerst over de hoofdlijn spelen alvorens de speelbal een band of een bal raakt. Lukt dit niet, en wordt de wedstrijd gearbitreerd door een scheidsrechter, dan maakt hij een foul.

Wordt de wedstrijd niet gearbitreerd, dan heeft de tegenspeler de keuze tussen een foul laten optekenen of de speler opnieuw laten spelen met alle ballen terug in hun oorspronkelijke positie van voor de vorige stoot en zonder dat een foul gegeven wordt.
Ligt een genummerde bal op of juist over de hoofdlijn (dus buiten het hoofdveld) zodat de speelbal deze bal raakt voor het verlaten van het hoofdveld, mag deze bal toch rechtstreeks aangespeeld worden (zie ook regel 3.9). Als, met de speelbal in de hand achter de hoofdlijn en terwijl de speler een geldige stoot probeert te maken, de speelbal onopzettelijk een bal achter de hoofdlijn raakt en daarna het hoofdveld verlaat, dan is dat
een foul. Verlaat de speelbal het hoofdveld niet, dan geldt het volgende: de tegenspeler laat een foul optekenen en krijgt dan de speelbal in de hand of hij laat de ballen terug op hun vorige posities leggen en laat de stoot herspelen zonder dat er een foul aangerekend wordt. Als een speler de speelbal opzettelijk een genummerde bal achter de hoofdlijn laat raken, dan is dat onsportief gedrag.  

3.40. FOUL BIJ BAL IN HAND.
Voor het positioneren van de speelbal 'in de hand' mag de speler zijn hand of ieder deel van de keu (pomerans inbegrepen) gebruiken. Iedere voorwaartse stootbeweging waarbij de speelbal geraakt wordt en die geen geldige stoot was, is een foul.

3.41. TUSSENKOMSTEN.
Als een niet aan spel zijnde speler zijn tegenspeler afleidt of in diens spel tussenkomt, begaat hij een foul. Als een speler buiten zijn beurt stoot of een bal verplaatst, wordt dit als een tussenkomst gezien.  

3.42. HULPSTUKKEN.
Spelers mogen geen ballen, de driehoek of enig ander breedtemetende hulpstuk gebruiken om te bepalen of een speelbal of een genummerde bal ergens tussendoor zou kunnen, etc. Alleen de keu mag hiervoor gebruikt worden en dan enkel als zij in hand wordt gehouden. Enig ander gebruik is een foul en onsportief gedrag.

3.42. ONGELDIG AANGEBRACHTE MARKERINGEN.
Als een speler opzettelijk markeringen op de tafel aanbrengt om zo een stoot te vergemakkelijken, zij het door het bevochtigen van het laken, het plaatsen van krijt op de banden, of op enige andere wijze, dan begaat hij een foul. Verwijdert hij deze markeringen voor de stoot, dan wordt er geen sanctie toegepast.

 

 

 

 

 

 
© 2009 Pool West 3 i.s.m. Arco van der Velden en Çakti Aswan